Als een overeenkomst niet alleen ziet op de huur van een locatie, maar ook betrekking heeft op de levering van verschillende diensten en het verrichten van werkzaamheden, kan volgens de rechtspraak ervan uit worden gegaan dat de wettelijke regels die gelden voor een overeenkomst van opdracht (mede) van toepassing zijn op de overeenkomst. Dit is een belangrijke constatering.

Bij een overeenkomst van opdracht is een consument namelijk geen schadevergoeding verschuldigd bij opzegging, ook als er een annuleringsbeding in de overeenkomst is opgenomen. Het annuleringsbeding is namelijk in strijd met de wet.

De wet

In artikel 7:408 lid 1 en 3 BW is vermeld dat een consument het recht heeft om een overeenkomst van opdracht met de opdrachtgever op te zeggen en dat de consument ter zake van de opzegging geen schadevergoeding is verschuldigd. Op grond van artikel 7:413 lid 1 en 2 j.o. artikel 7:408 lid 1 en 3 BW kan niet ten nadele van de consument worden afgeweken van deze bepalingen (dwingend recht). Afwijking wordt zelfs afgestraft (zie hieronder). Dit betekent dat het annuleringsbeding vernietigd kan worden, omdat dit wettelijk niet is toegestaan. Het annuleringsbeding heeft dan geen toepassing.

Van belang is verder dat het annuleringsbeding valt onder de werking van de Europese Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en vermoed wordt onredelijk bezwarend te zijn op grond van artikel 6:237 onder i BW. Ook dit heeft vergaande consequenties. Strijdigheid met deze Europese regels leidt op grond van Europese rechtspraak ertoe dat bij opname van een annuleringsbeding, de opdrachtnemer niet terugvalt op de wet, en dus ook geen wettelijke schadevergoeding of vergoeding van kosten kan krijgen.

Voorbeelden uit de praktijk

In de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 maart 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:971) oordeelt de rechtbank dat het annuleringsbeding in strijd is met de hiervoor genoemde regels voor overeenkomst van opdracht, omdat het annuleringsbeding inhoudt dat bij opzegging een groot deel van de overeengekomen prijs verschuldigd blijft. De rechtbank oordeelt daarom dat het annuleringsbeding in strijd is met de wet en als oneerlijk en onredelijk bezwarend moet worden aangemerkt en vernietigt het beding. De Rechtbank oordeelt verder – met verwijzing naar de uitspraak van het Hof van Justitie van 27 januari 2021 (ECLI:EUR:C:2021:68) - dat de opdrachtnemer geen recht heeft op enige (andere) vergoeding op grond van de wet nu het annuleringsbeding is vernietigd en er geen aanspraak op eventuele schadevergoeding op grond van de wet kan worden gemaakt. De opdrachtnemer werd in deze uitspraak o.a. veroordeeld om de aanbetaling die de consument gedaan had voor de zaalhuurovereenkomst met aanvullende diensten terug te betalen. In een soortgelijke andere zaak van 9 februari 2022 oordeelde ook de rechtbank Midden-Nederland (zie ECLI:NL:RBMNE:2022:443) om dezelfde redenen dat het annuleringsbeding onredelijk bezwarend was en dat de opdrachtgever het annuleringsbeding kan vernietigen, zodat de opdrachtnemer ook in deze zaak geen beroep op het annuleringsbeding toekwam. Ook in deze uitspraak overwoog de rechtbank Midden-Nederland dat de opdrachtnemer geen recht heeft op enige andere wettelijke vergoeding, omdat er een annuleringsbeding was opgenomen in strijd met de wet. Het opnemen van een annuleringsbeding bij consumenten kan een zaalverhuurder dus duur komen te staan.  

Conclusie

Voor het opnemen van een annuleringsbeding in de overeenkomst van opdracht en/of algemene voorwaarden die daarbij horen geldt dan ook het spreekwoordelijk gezegde “bezin eer gij begint”. Het opnemen van annuleringsbeding kan namelijk vergaande nadelige consequenties hebben voor de opdrachtnemer. Niet alleen kan het beding worden vernietigd; de opdrachtgever verliest ook zijn aanvullende rechten op vergoeding uit de wet. Zo lang de consument niet “piept” komt de opdrachtgever er wellicht mee weg, maar als de consument wel “piept” kan de opdrachtnemer achter het net vissen.  

Auteur: Carolin Vethanayagam, gepubliceerd op 13 februari 2026

N.B.: Zie ook mijn eerder artikel over het annuleren van een zaalhuurovereenkomst.